Rome

Image module

Jan Pieterszoon Coen komt  op 8 januari 1587 ter wereld in Hoorn. Zijn jeugd staat volledig in het teken van zijn opleiding tot koopman.

Op 11 januari 1587 wordt Jan Pieterszoon Coen in het doopboek van de gereformeerde gemeente Hoorn bijgeschreven als zoon van Geert Jansdochter en koopman Pieter Willemszoon afkomstig uit Twisk, een dorp in de buurt van Hoorn.

Coen is een zeer vlotte leerling. Op 13-jarige leeftijd heeft hij de Latijnse school al doorlopen en vertrekt hij naar Rome voor zijn vervolgopleiding. Italië is in die tijd het mekka van het moderne handelsmanagement.

Coen gaat zes jaar in de leer bij het handelshuis van Justus Pescatore (Joost de Visscher), een uit Antwerpen afkomstige katholieke koopman. Daar leert hij dubbel boekhouden en verschillende vreemde talen. Ook maakt hij er kennis met de ideeën over macht en politiek van Niccolò Machiavelli.

Koopman

Image module

Terug uit Rome treedt Jan Pieterszoon Coen in dienst van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC). In 1607 vertrekt hij als onderkoopman voor zijn eerste reis naar Oost-Indië.

Hoorn is een bruisende stad in Coens jonge jaren. De handel bloeit er als nooit te voren. In de havens liggen schepen uit alle windstreken. Fluitschepen vol hout en graan uit de Oostzeelanden. Walvisvaarders, die in de Noordelijke ijszeeën op walvissen jagen en pinassen met zout en wijn uit het Middellandse Zee gebied. Met zijn opleiding en achtergrond liggen de kansen voor Jan Pieterszoon Coen voor het oprapen.

Coen treedt in dienst bij de meest ambitieuze onderneming van zijn tijd, de Verenigde Oostindische Compagnie, handelsonderneming en oorlogsmachine ineen. Opgericht in 1602 om het monopolie te verwerven op de lucratieve specerijenhandel in Oost-Indië. Daarmee wordt dan meteen een belangrijke  inkomstenbron van de Spanjaarden en Portugezen afgesneden, met wie de Republiek al bijna 50 jaar in oorlog is.

In 1607 vertrekt Coen als onderkoopman in dienst van de Kamer Hoorn van de VOC, op het schip de Hoorn voor zijn eerste reis naar Oost- Indië. Een reis die hem nog lang zal heugen.

Vuurdoop

Image module

De eerste zeereis van Jan Pieterszoon Coen naar Oost-Indië is een harde leerschool. Moord, geweld, ontberingen, niets blijft Coen bespaard. In 1611 keert hij in Hoorn terug,  heel wat ervaringen en indrukken rijker.

Op 21 december 1607 verlaat een vloot van dertien zwaarbewapende schepen de rede van Texel met als bestemming Bantam.  De vloot staat onder bevel van admiraal Pieter Willemszoon Verhoeff. Het is een gecombineerd handels- en oorlogsmissie. Verhoeff moet handelscontracten met inlandse vorsten afsluiten en de Spanjaarden en Portugezen bevechten. Jan Pieterszoon Coen maakt felle gevechten mee tegen de Portugezen op kusten van Mozambique en India.

Eenmaal in Oost-Indië, begin 1609, splitst de vloot zich. Twee schepen varen door naar Japan, andere naar de Noord-Molukken om de aanvoerlijnen van de Spanjaarden af te snijden.

De Hoorn, met Coen aan boord,  zeilt naar de Banda-eilanden. De VOC wil greep krijgen op de handel in nootmuskaat en daarom een fort bouwen op het grootste eiland Banda Neira. De eilandbewoners zijn hier niet van gediend. Tijdens onderhandelingen lokken zij admiraal Verhoeff  in een hinderlaag en doden hem. In de schermutselingen die volgen vinden nog 43 andere soldaten en bemanningsleden de dood. De wraak is niet misselijk. Alles op het eiland wordt in brand gestoken en kapotgeslagen. De bewoners van de kampong Lebetakke worden tot op de laatste man vermoord. Coens eerste Indië reis is een ware vuurdoop.

Carrière

Image module

Jan Pieterszoon Coen maakt snel carrière binnen de VOC. Op z’n dertigste bekleedt hij de hoogste functie in Oost-Indië, die van gouverneur-generaal.

In 1612 begint Jan Pieterszoon Coen aan zijn tweede reis naar Oost-Indië. Ditmaal als opperkoopman en commandeur van twee schepen in dienst van de VOC-kamer Amsterdam.

Zijn talenten blijven niet onopgemerkt. De eerste gouverneur-generaal Pieter Both schrijft lovend over zijn kwaliteiten als koopman en boekhouder. Hij omschrijft Coen als : …een eerlijck ende godvreesent jonckman, zeer modest van leven, zedig ende van goeder aert…”

In 1613 benoemt Both hem tot boekhouder-generaal, met de opdracht de boekhouding van de VOC in Azië op orde te brengen. Een kolfje naar Coens hand.  Een jaar later wordt Coen als directeur-generaal verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van alle kantoren of factorijen van de VOC in Azië.

Het is nu nog maar een kleine stap naar de hoogste functie. Coen krijgt zijn kans wanneer gouverneur-generaal Lourens Reaal in 1616 zijn ontslag indient. Hij noemt Coen als één van zijn mogelijke opvolgers : “een persoon van grooten oordeel, neerstich ende cloeckmoedich…” De Heeren XVII kunnen niet meer om hem heen. Op 23 augustus 1617 benoemen ze Jan Pieterszoon Coen tot hun hoogste man in Oost-Indië, met een inkomen van 600 gulden per maand. Coen bekleedt de functie van gouverneur-generaal in totaal zeven jaar, langer dan elk van zijn voorgangers.

Visie

Image module

Jan Pieterszoon Coen heeft heel duidelijke ideeën over de strategie die de VOC in Oost-Indië moet volgen om succesvol te zijn. In 1614 zet hij zijn visie uiteen in een uitgebreide brief aan de hoofddirectie van de VOC.

Op 1 januari 1614 schrijft Jan Pieterszoon Coen zijn ‘Discours toucheerende den Nederlantsche Indischen staet’, een serie aanbevelingen aan de Heeren XVII over de te volgen strategie van VOC in Oost-Indië. Coen is een voorstander van een harde politiek tegen de Europese en inlandse concurrenten. De monopolies op specerijen moeten desnoods met geweld worden afgedwongen. Daarnaast wil Coen her en der in Azië kolonies opzetten met Nederlandse ‘vrijburgers’, die zich bezig houden met landbouw, ambachten en handel in producten waar de VOC geen monopolie op heeft. De kolonies vormen een stabiele basis  waar de VOC in geval van dreiging altijd op terug kan vallen.

Ten derde houdt Coen de bewindhebbers voor dat de VOC zich veel meer met de handel tussen de Aziatische landen moet inlaten. Volgens hem valt hier zoveel mee te verdienen, dat de retourtransporten met specerijen naar Holland er mee bekostigd kunnen worden.

Maar om dit alles te kunnen realiseren dienen de Heeren XVII wel veel meer kapitaal en schepen naar Indië sturen.

Eenmaal benoemd tot gouverneur-generaal zet Coen zijn ideeën in daden om.

Batavia

Image module

De VOC heeft behoefte aan een hoofdkwartier in Oost-Indië. Jan Pieterszoon Coen weet dit te realiseren. In 1619 wordt de Javaanse havenstad Jacatra, omgedoopt tot Batavia.

Lange tijd is Bantam op West-Java het belangrijkste steunpunt van de VOC in Oost-Indië. Wanneer Jan Pieterszoon Coen gouverneur-generaal wordt richt hij zijn aandacht op Jacatra. Deze Javaanse havenstad is gunstig gelegen aan een goed beschutte baai. Daar wil Coen zijn grote droom realiseren, een centrale ontmoetingsplaats voor alle schepen van de VOC in Azië.

In 1618 geeft hij het bevel het handelskantoor aldaar te versterken. Dit leidt tot conflicten met de lokale sultan en de Engelsen, die er ook een factorij hebben. Na een spannende strijd, inclusief zeeslag tegen de Engelsen, weet Coen Jacatra op 30 mei 1619 te veroveren. De stad wordt platgebrand, de inwoners verdreven. Op de puinhopen verrijst een nederzetting die Coen Nieuw-Hoorn wil noemen. De Heeren XVII kiezen echter voor Batavia.

De stad komt in de 17de en 18de eeuw tot grote bloei en telt op een gegeven moment 50.000 inwoners. Het is een typisch Hollandse stad, met grachten, bruggen, grachtenpanden, pakhuizen en als enige stad in Azië een stadhuis. Omgeven door moerassen, is het klimaat er minder gunstig, wat Batavia de bijnaam ‘Het kerkhof der Europeanen’ oplevert.

Kritisch

Image module

De verhouding tussen Jan Pieterszoon Coen en zijn bazen in Nederland, is niet hartelijk. Coen is overtuigd van zijn eigen gelijk en zegt de Heeren XVII onomwonden waar het op staat.

Jan Pieterszoon Coen is een fanatiek brievenschrijver. In zijn uitgebreide brieven aan de Heeren XVII schrijft Coen hoe de zaken er in Oost-Indië voor staan. Hij toont zich zeer kritisch. Iedereen krijgt er van langs, inclusief de VOC-directie. Coen hekelt hun krenterigheid. Keer op keer vraagt hij om meer geld en schepen en ook om fatsoenlijke burgers waarmee hij zijn kolonies kan opbouwen. Maar de Heeren XVII luisteren niet : ’t Volck corteling gekomen is soo oolijck, dat veele in haere luyheyt ende vuylheyt vergaen, meest zijn ook jongh en dom die hier comen” , schrijft Coen.

In zijn ogen treedt de VOC ook veel te slap op tegen concurrenten. Coen wil de strijd wel aan gaan. Zonder oorlog is er nu eenmaal geen handel mogelijk en alleen uit de inkomsten van de handel kan de oorlog betaald worden, luidt zijn stelling.

“Ick zweer U by den Alderhoochsten, dat de Compagnie geen vyanden en heeft die haer meer hinder en schade doen dan ‘d onwetenheyt ende onbedachtheyt (hou het my ten besten) die waer Uwe Edelachtbaren regneert ende de verstandige overstempt”.

De Heeren XVII zijn wel wat gewend, maar deze uithaal komt Coen toch op een flinke reprimande te staan. De directeuren manen hem zijn “…vrymoedige penne wat in te binden.”

Ondanks Coens kritische houding benoemen ze hem in 1627 toch voor een tweede termijn als gouverneur-generaal.

Engelsen

Image module

Niet alleen de VOC ook de Engelse East India Company aast op de specerijen uit Oost-Indië.  Aan Jan Pieterszoon Coen hebben de Engelsen een geduchte tegenstander. Zij kunnen zijn bloed wel drinken.

Al vroeg in zijn carrière krijgt Jan Pieterszoon Coen te maken met Engelse kooplieden die ook een graantje mee willen pikken van de lucratieve specerijenhandel. De verhouding tussen de VOC en de British East India Company is nogal dubbel. Formeel zijn het bondgenoten in de oorlog tegen Spanje, maar gelijker tijd doen ze er in een boeiend verdeel en heers spel alles aan om te voorkomen dat één van de twee compagnieën te machtig wordt. Coen is voorstander van een harde lijn. Geen concessies aan de Engelsen, want als die hun zin krijgen gooien ze de VOC er uit.

Tal van kleinere conflicten leiden in 1619 tot een heuse zeeslag voor de kust van Jacatra. Coen komt als overwinnaar uit de bus, maar wordt tot zijn ontsteltenis door de VOC-directie tot samenwerking gedwongen. Hij blijft echter de Engelsen dwarsbomen, waar hij kan.

Wanneer in 1623 een aantal Engelse kooplieden op verdenking van een samenzwering worden geëxecuteerd, bereiken de verhoudingen een dieptepunt. Coen is dan al op weg terug naar Holland, maar voor de Engelsen is hij de gebeten hond. Ze doen er alles aan om te voorkomen dat hij voor een tweede termijn tot gouverneur-generaal wordt benoemd. Dit lijkt succes te hebben. De Staten van Holland verbieden Coen terug naar Indië te gaan. Maar in 1627 vertrekt hij toch, incognito, voor een tweede termijn.

Mur Jangkung

Image module

Jan Pieterszoon Coen leeft op Java nog steeds voort. In het Wajang spel is hij de even magische als gewelddadige Mur Jangkung.

Jan Pieterszoon Coen voelt zich als Europeaan en Christen verheven boven de inlandse bevolking. Hij schrijft dat zij leven als beesten. Hun godsdiensten vindt hij zonder meer bijgeloof, waaraan zo snel mogelijk een eind gemaakt moet worden. Met de inlandse vorsten doet hij noodgedwongen zaken, maar hij vertrouwt ze niet. Coen gaat altijd op pad met een lijfwacht van tien man. Om indruk te maken op zijn tegenstander, maar ook ter bescherming. Er zijn verschillende aanslagen op zijn leven.

Met de vorst van Mataram voert Coen rond 1628 een verbeten strijd om de hegemonie in West-Java. Tot twee keer toe belegert de vorst Batavia.

Coen is op Java nog niet vergeten. Hij heeft een plaats gekregen in de Javaanse mythologie. In de zogenaamde Sakèndhèr-verhalen duikt hij op als Mur Jangkung (Majoor Jan Coen), die op de kust van West-Java arriveert met een boot vol met brood, wijn, bier en wapentuig (!) Met de hulp van magische krachten krijgt hij groot aanzien en slaagt erin Jacatra te veroveren. Geschiedenis op z’n Javaans.

Geweld op Banda

Image module

In 1621 verovert Jan Pieterszoon Coen met grof geweld het eiland Banda-Neira. Duizenden Bandanezen laten hierbij het leven. Een actie die Coen nog lang wordt nagedragen.

De Banda-eilanden in de Zuid-Molukken is de enige plek waar de muskaatboom groeit. Die brengt de specerijen nootmuskaat en foelie voort. De VOC richt zijn pijlen vanaf het prille begin op de lucratieve handel in deze specerijen. Zij verplicht de Bandanezen hun nootmuskaat en foelie alleen aan de Compagnie te leveren, die zelf de prijs bepaalt.

De Bandanezen zijn al eeuwen gewend buitenlandse handelaren tegen elkaar uit te spelen. Deze ‘haentjes van Indië’ laten zich niet zo maar de wet voorschrijven. Coen is in 1609 getuige van de eerste grote slachtpartij op Banda, nadat admiraal Pieter Willemsz Verhoeff en nog 48 andere Nederlanders door de Bandanezen worden vermoord. Dit ‘verraad van Banda’ blijft Coen altijd bij.

In 1621 leveren de Bandanezen ondanks het verbod van de VOC nog steeds nootmuskaat aan de Engelsen. Coen wil hier een eind aan maken en vertrekt met een vloot en zo’n 2000 soldaten naar de eilandengroep. Als onderhandelingen op niets uitlopen, besluit Coen de zaak eens en voor altijd op te lossen. Hij geeft groen licht voor één van de ergste moordpartijen uit de VOC-geschiedenis. Duizenden mannen, vrouwen en kinderen worden gedood. De eilandbewoners die de bergen in vluchten, komen van honger en ziekte om. Dorpen worden platgebrand, schepen vernietigd, muskaatbomen omgehakt. De overlevenden worden als slaven mee terug genomen naar Batavia. De eilanden worden opnieuw bevolkt met Aziatische immigranten en VOC dienaren (perkeniers).

Dit excessieve geweld is Coen zowel in zijn eigen tijd als door latere historici nagedragen. Het is bestempeld als ‘onmenschelijk’ en ‘wreedaardig’. De Heeren XVII vragen Coen of het ook met wat minder geweld kan, maar belonen hem wel met 3000 Carolusgulden voor de verovering van de Banda-eilanden.

Huwelijk

Image module

In 1623 keert Jan Pieterszoon Coen terug uit de Oost. Hij wil trouwen. Door zijn huwelijk met Eva Ment treedt hij toe tot de Amsterdamse elite.

Jan Pieterszoon Coen is bij zijn terugkeer uit de Oost al 36 jaar oud. Hoog tijd om een huwelijkspartner te vinden. Dankzij de bemiddeling van de Amsterdamse VOC-bewindhebber Pieter Dircksz. Hasselaer maakt Coen kennis met de 19-jarige Eva Ment, dochter van een Amsterdamse lakenkoopman. Ze trouwen op 8 april 1625 en nemen hun intrek in een riante woning aan de Warmoesstraat. Hier geneest Coen van een ziekte die hij in de Oost heeft opgelopen en wordt Geertruid, hun dochter geboren.

In 1627 vertrekt Coen opnieuw naar de Oost. Niet alleen zijn eigen gezin, ook Sophie Benning, Eva’s moeder, haar zus Lysbeth en broer Gerrit gaan mee. Zij moeten de ruggengraat te gaan vormen van Coens ideaalkolonie in Indië.

Eva Ment stelt zich in dienst van haar man. Ze houdt zich onder andere bezig met de opvang van  wezen en meisjes die door compagniedienaren bij inheemse vrouwen zijn verwekt. Zij krijgen in huize Coen een gedegen opvoeding.

Onbezorgd is het huwelijk allerminst. In 1628 overlijdt hun dochtertje Geertruid.  Twee jaar achtereen wordt Batavia belegerd door het leger van de vorst van Mataram. Vrijwel alle vrouwen worden geëvacueerd, maar Eva blijft in Batavia. Daar bevalt zij op 16 september 1629 van hun tweede dochter Johanna. Coen overlijdt vijf dagen later.

Eva Ment blijft niet en keert terug naar Amsterdam. De kleine Johanna overleeft de reis niet.

Een hard oordeel

Image module

Op 6 juni 1629 laat Jan Pieterszoon Coen een twaalf jarig meisje publiekelijk geselen. Haar zestienjarige minnaar wordt onthoofd. Wat hebben zij misdaan ?

Jan Pieterszoon Coen en zijn vrouw Eva Ment nemen verschillende meisjes in hun huishouding op die alleen in Batavia zijn achtergebleven. Sara Specx is één van deze ‘Staatsdochterkens’. Zij is de dochter van Jacques Specx, opperkoopman van de VOC factorij in Hirado en een Japanse vrouw. Sara, nog maar twaalf jaar oud, begint een relatie met de zestienjarige vaandrig Pieter Kortenhoeff. In mei 1629, vlak voor het beleg van Batavia door de vorst van Mataram, weet de jonge vaandrig het huis van Coen binnen te sluipen en heeft hij in het bijzijn van alle andere ‘staatsiejoffers’ en slavinnen gemeenschap met Sara. Als Coen dit ter ore komt, is de wereld te klein. Dit is tegen alles waar hij voor staat. Hij eist dan ook zeer strenge straffen. Sara wordt veroordeeld tot publieke geseling in het stadhuis met open deuren en vijf jaar verbanning. Kortenhoeff wordt, mede vanwege het verlaten van zijn post en schending van het paleis van de gouverneur-generaal, onthoofd.

Hoewel Coen in zijn recht staat, hebben veel tijdgenoten moeite met de strenge straffen.  Jacques Specx, die Coens opvolger wordt als gouverneur-generaal, weigert met de rechters het avondmaal te delen. Het oordeel wordt echter niet terug gedraaid.

In 1931 kiest J.J. Slauerhoff deze affaire als onderwerp voor een toneelstuk, waarin hij een weinig verheffend beeld geeft van Coens persoonlijkheid. De opvoering van het stuk wordt verschillende keren verboden. Pas in 1986 komt het op de planken.

Overlijden

Image module

Jan Pieterszoon Coen overlijdt op 21 september 1629 tijdens het beleg van Batavia. Over zijn graf is later nog veel te doen

In 1629 wordt Batavia voor het tweede achtereenvolgende jaar belegerd door susuhunan Agung, de vorst van Mataram. Een legermacht van 80.000 man, compleet met olifanten en kanonnen bedreigt de stad. Het water in de rivier wordt vergiftigd. De verdedigers hebben het zwaar.  Net als vele anderen wordt ook Jan Pieterszoon Coen ziek. Als gevolg van besmet voedsel of drinkwater loopt hij ‘rode loop’ (dysenterie) op.

In de nacht van 20 op 21 september verslechtert zijn conditie. Om 1 uur ’s nachts sterft hij. Terwijl de gevechten in volle gang zijn, trekt de volgende dag een rouwstoet door Batavia en wordt Coen ‘zeer statelyk en met al de vercierzelen, pragt en eerbewijzen van een Oppergebieder van Indiën’ begraven in het stadhuis, omdat de kerk tijdens het eerste beleg is afgebrand.

In 1634 wordt hij bijgezet in de herbouwde Hollandsche kerk. Die wordt in 1807 op afbraak verkocht en sindsdien is het graf van Coen en andere gouverneur-generaals spoorloos. Een speciaal ingestelde regeringscommissie doet in 1934 een poging Coens graf terug te vinden. Een gedenkplaat in het huidige Museum Wayang in Djakarta herinnert aan de vermoedelijke plaats van het graf van Jan Pieterszoon Coen.

Dispereert niet!

Image module

Op de sokkel van het standbeeld staan de woorden ‘Dispereert niet’, wat zoveel betekent als ‘wanhoopt niet’. Het is de lijfspreuk van Jan Pieterszoon Coen. Een spreuk met rijke geschiedenis.

Op 29 september 1618 schrijft Jan Pieterszoon  Coen een beroemd geworden brief aan de hoofddirectie van de VOC, waarin hij de directeuren aanmoedigt zijn plannen met Indië te steunen.  Hij schrijft hen :  “Dispereert niet. Ontsiet uw vyanden niet, daer en is ter werelt niet dat ons can hinderen noch deeren, want Godt met ons is en trect de voorgaende misslagen in geen consequentie want  daer can in Indiën wat groots verricht worden!”.

Wanneer Coen aan het eind van de negentiende eeuw de status van nationale held krijgt aangemeten wordt Dispereert niet postuum zijn lijfspreuk. Het is een uitspraak waar de natie zich aan op kan trekken. Eentje die staat voor zelfvertrouwen en doorzettingsvermogen. Het duurt niet lang of Coens lijfspreuk prijkt  op wanborden, penningen en de covers van boeken. Ook talloze verenigingen, vooral in protestants-christelijke hoek, kiezen zijn motto als naam.

Minister president Colijn hoeft in 1937 niet lang na te denken over de titel van zijn lezing bij de herdenking van Coens 350ste geboortedag in Hoorn. Dispereert niet is nog verrassend actueel  in die dagen van crisis en oorlogsdreiging.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikt koningin Wilhelmina Coens leuze in haar toespraken voor radio Oranje. Behalve hoop en troost drukken de woorden ook een geest van verzet uit. Gevangenen in het beruchte Oranjehotel in Scheveningen kerven ze daarom in hun celmuren.

Maar ook de tegenpartij claimt de lijfspreuk. Op een affiche uit 1941 prijkt Zwart Front leider Arnold Meijer voor een VOC schip met Coens woorden.

Na de soevereiniteitsoverdracht in 1949, verliest Coens lijfspreuk zijn glans. Sterker nog hij komt te staan voor een deel van onze geschiedenis waar we ons als Nederlanders liever niet te veel meer mee associëren.

Het doel heiligt de middelen

Image module

Het is lastig sympathie of bewondering te hebben voor een historische figuur als Jan Pieterszoon Coen. Hij is het prototype van een leider waar we ons tegenwoordig moeilijk mee kunnen identificeren.

Jan Pieterszoon Coen is misschien wel het prototype van de heerser waarvoor de Italiaanse denker Nicoló Machiavelli een lans breekt  in zijn beroemde boek ‘Il principe’ (de vorst). Zijn heerser heeft  voor alles het belang van de staat voor ogen. In zijn doen en laten is hij liever gevreesd dan geliefd en voor hem heiligt het doel alle middelen. Het is goed denkbaar dat Coen tijdens zijn opleiding in Rome kennis heeft gemaakt met de ideeën van Machiavelli.

Voor Coen gaan de belangen van de VOC voor alles. Zelfs mensenlevens zijn hier aan ondergeschikt. Wanneer er voor de opbouw van Batavia werkkrachten nodig zijn,  stuurt Coen stadgenoot Ysbrandt Bontekoe op strooptocht. Die ontvoert duizenden Chinezen als slaaf naar Java. Slechts enkele tientallen overleven de reis.  Het lijkt Coen niet te deren.

Geliefd zijn is niet Coens doel. Hij is een man van het geloof, van orde en tucht. Alleen zo kan in zijn ogen een geordende samenleving worden opgebouwd. Daarom treedt hij zeer streng op tegen alles wat dat ondermijnd.  Wanneer schutter Arent Janszoon tot muiterij aanzet wordt hij eerst vreselijk gemarteld en daarna gewurgd. Een adelborst die uit het raam plast krijgt veertien dagen dwangarbeid. Een achttienjarige soldaat die voor de tweede keer slapen tijdens de wacht wordt aangetroffen, wordt op staande voet doodgeschoten.

Coen is ook een man van het recht, hij heeft een hekel aan willekeur. Dit klinkt misschien wat tegenstrijdig als je ziet hoe er met rechten van de inlandse bevolking wordt omgesprongen, maar het rechtsgevoel van de zeventiende-eeuwers is een totaal andere dan die van ons vandaag de dag.

Dat maakt het beoordelen van een figuur als Coen tot een gecompliceerde zaak.